elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: disselboom

disselboom , dikselboom , dissel van een wagen, disselboom, Gron. dusselboom, Zeel. disselboom, Oostfr. diesselboom, Oudfr. tiuchsel, van: tia, Goth. tiuhan = trekken.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
disselboom , [deel van paardentuig] , disselboom , (mannelijk) , disselboom.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
disselboom , dusselboom , dissel, disselboom, deel van een’ wagen. Zegswijs: ’t gad tegen dusselboom angooien = zich onwillig toonen, eene zaak tegenwerken door zich er aan te onttrekken; Nederlandsch zijn achterste tegen de krib zetten, Oostfriesch de nêrs an de dîsselbôm smeten. – woagen mit krōmme dusselboom, volksnaam voor het sterrebeeld de Groote Beer. Zeeland dìsselboom, Oostfriesch dîsselboom, Oud-Friesch tiuchsel, van tia, Gothisch tiuhan = trekken. Zie: plougbooms.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
disselboom , disselboom , voor een dissel werd het paard gespannen en dat trok dan de wagen aan. Het peerd lop vüür ’n dissel.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
disselboom , disselboom , zelfstandig naamwoord , lange rechte boom aan de voorzijde van een boerenwagen (KRS: Hout; LPW: Lop) Synoniem *lange boom . Zie hoofdstuk 4, punt 4: wagens .
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
disselboom , dikselboom , de , disselboom Veur een twaipeerds waogen heurt een disselboom (Vtm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
disselboom , diesselboom , disselboom.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
disselboom , disselbôôm , zelfstandig naamwoord , disselbôôme , disselbôômpie , onderdeel van de Zuid-Hollandse boerenwagen ’t Êêne bêên voet-op-gat en ’t andere opten disselbôôm Het ene been op de kont van het paard en het andere op de dissel Zie ook krommen dissel
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
disselboom , distelboüm , zelfstandig naamwoord mannelijk , distelbûim , - , disselboom , VB: D'n distelboüm ês de boüm tössje de pêrd van e twiesjpan vuur 'nne wäoge.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
disselboom , disselboum , zelfstandig naamwoord, mannelijk , disselbuim , disselboom
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal