elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dok

dok , dokken , stroowischen, die onder de pannen gelegd worden.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
dok , dokken , 1. bosjes stroo die tot vulling tusschen de dakpannen worden gelegd, waar deze aan elkander sluiten en dus dienen ter vervanging van kalk; ook Gron. Overijs. Geld. Oostfr. Neders. Holst. In een gedeelte van N.Duitschland, Denemarken en Zweden is dooke = eene pop, HD. Docken = stroowisch, Westf. docke = stroopop; Kil. docke = eene pop. Om de overeenkomst in vorm zullen deze bosjes dien naam dragen, dus zooveel zijn als: stroopop. 2. kleine plankjes van beukenhout, die in plaats van pannen of lei tot het dekken van torens en kerken gebezigd worden. Podagr. I p 245.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
dok , dokken , (zelfstandig naamwoord alleen ’t meervoud) = bosjes stroo, van grootte en vorm als stroohulzen, die tot vulling tusschen de dakpannen worden gelegd ter vervanging van kalk. (Bij v. Dale: dok, meervoud dokken, een stroowisch, die men tusschen eene dakpan steekt welke met kalk besmeerd is.) In Drentsch, Nedersaksisch, Holsteinsch dokken, alleen in het meervoud; in Drente heeten ook aldus de plankjes of leitjes waarmede kerken en torens gedekt worden, (dus bij uitbreiding). In een gedeelte van Noord-Duitschland, in Denemarken en Zweden, ook bij Kil. is: docke = eene pop, en om de overeenkomst in vorm zouden zulke bundeltjes dien naam dragen, dus zooveel zijn als stroopoppen. Westfaalsch docke = stroopop.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
dok , dokke , vrouwelijk , 1. strowisch onder dakpan; 2. kistje waarin papieren van waarde bewaard worden
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
dok , dokken , strowissen onder de panpen
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
dok , dok , nok , zelfstandig naamwoord , (KRS: Wijk, Lang, Coth, Werk, Bunn, Hout, Scha; LPW: IJss, Bens, Cab), nok (KRS: Wijk, Coth; LPW: IJss, Bens, Cab) flesvormig gedraaid bosje (rogge)stro onder de dakpannen, tegen de tocht of doorregenen De isolerende werking van het dok was overigens maar gering. Bij de jaarlijkse schoonmaak werd ook het dok gereinigd. In de vorm dok ook in de Vechtstreek (Van Veen 1989, p. 49).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
dok , dok , dokke , dokken , Ook dokke (Zuidwest-Drenthe) = 1. bos van stro of bente onder de dakpannen As het wat regenachtig is vandaag, dan kuj mooi dokken binden (Vri), Onder de holle pannen zaten dokken (Ruw), Aj goeie dokken hebben wolden, waren ze maakt van bente (Hijk), zie ook daoken 2. beukenhoutje plankje. Met deze plankjes werden kerktorens en kerken gedekt (Zuidoost-Drenthe, dva, wb) De dokken van het oolde karkien bint er in het begin van dizze eeuw al ofhaald (Pdh)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dok , dok , bijvoeglijk naamwoord , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe) = blut Ik bin dok, ik heb gien cent mèer (Exl)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dok , dok , het , dokken , scheepsdok Het schip lig in het dok (Bui)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dok , dokke , daoke , zelfstandig naamwoord , de; elk van de bosjes bentgras die een isolerende laag vormden onder de holle dakpannen van vroeger, nl. tegen regen en vooral stuifsneeuw
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dok , dok , zelfstandig naamwoord mannelijk , dogke , dökske , priktol , (mnl 'docke': klos of blok) (vero.) Zw: 'nnen dok opzitte: de priktol gebruiksklaar maken door er een koord omheen te winden, waarna hij, na weggeslingerd te zijn, met grote snelheid rondtolde. Andere spelers probeerden dan met hun priktol deze stuk te gooien of uit zijn evenwicht te brengen.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dok , dokken , de dubbelgevouwen en vervolgens samengebonden, ofwel gedraaide bosjes stro die onder dakpannen werden gestoken.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal