elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dolk

dolk , dolk , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , In verkl. dolkie. Een bepaald soort van knikker, stuiter, van gebakken aarde (Jisp). Soms ook van glas, doch alsdan glazen dolk genoemd. Te Wormerveer verstaat men onder dolken alleen glazen knikkers. Deze hebben gekleurde figuren van binnen en zijn verkrijgbaar tot de grootte van een kleine bikkelbal. || Ik heb negentien knikkers en twee dolken. Ik had zo’n mooie dolkie, maar dat heb ik vast ’estrooid (verloren). – Vgl. Fri. dolk in de zin van paardekootje (HALBERTSMA 705), dat echter thans verouderd schijnt. Dit is ongetwijfeld hetzelfde woord, daar eertijds kootjes gebruikt werden om te knikkeren. Vgl. knar en kooten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dolk , dolk , mannelijk , döllek , dolk, dolkmes.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dolk , dolk , dolke , dolken , Ook dolke (Zuidwest-Drenthe) = 1. dolk Pas mor op, die kerel stek je zo an de dolk (Eex), Hij har toch een dolk van een mes bij hum! groot mes (Klv) 2. zakmes De boeren hadden vaok een dolk in de buus, as ze met de peerden op pad wazzen (Nor), Hij hef de haand gauw an de dolke (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dolk , doülk , zelfstandig naamwoord mannelijk , doülke , duelkske , dolk , VB: Oüch 'nne doülk huurt tot de verboëje waopes.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal