elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dompelen

dompelen , dompeln , zwak werkwoord, overgankelijk , 1. dompelen IJ moet die zakken beter in het waoter dompeln, anders kriej ze neeit schoon (Gas) 2. vallen van een afgezaagde boom (Zuidoost-Drents zandgebied) Zo wil de boom beter dompeln (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dompelen , dumpelen , (Kampen, Kamperveen) (onder)dompelen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dompelen , doompele , werkwoord , doompelde, gedoompeld , dompelen , VB: Doer d'n doed van hön ma ês dy femiélie ién èilend gedoompeld.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal