elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dompen

dompen , dompen , (dòmpe) , (zwak werkwoord, transitief en intransitief) , 1) Transitief Voorover doen duiken, naar beneden doen dalen; van een tweewielige kar, een schuit, enz. || Ik zel de kar dompen, hou jij ’em wat tegen dat-i niet te hard neerbomt. – Dompen, van een stuk geschut gezegd, is algemeen Ned.; zie VAN DALE en vgl. de volgende plaats. || Maer dat Schut ’t welk in haer stevens lag, ’t selve lagh waterpas, doch sy konden het niet lichten, noch dompen, noch basten; maer mosten haer geheele vaertuygen omdraeyen, als sy naer ons schieten wilden, FRANS JANSZ. VAN DER HEIDEN, Vervarelijke Schip-breuk van ’t Jacht ter Schelling (3de dr., Amst. 1685), bl. 69. 2) Intransitief Voorover duiken, kantelen. In deze zin ook dompelen; zie aldaar. || Laad de kar van voren niet te zwaar, aârs dompt-i. As jollie allemaal an één kant van ’t schuitje staan gane, dan zel ’et nog dompen. – Vgl. domp II en domp III. 3) Overdrachtelijk in de uitdr. met het dompen van de week, als de week aan het afnemen is, in het eind van de week, na woensdag. || Ik zel ’et met ’et dompen van de week wel doen, maar ik heb er nou geen tijd toe. – Bij dompen hoort het freq. dompelen, duiken, onder water steken. In deze zin komt ook dompen in de 17de e. herhaaldelijk voor. Zie DE JAGER, Freq. 1, 72 vlg., en vgl. FRANCK 191.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dompen , dompelen , (dòmpələ) , (zwak werkwoord, intransitief) , Voorover vallen, kantelen. Hetz. als dompen; zie aldaar.|| Pas op, of die kar dompelt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dompen , dompen , kantelen, omslaan
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
dompen , dompe , werkwoord , Ook: oud knikkerspel waarbij twee spelers een gelijk aantal knikkers bijeenvoegden en die in een kuiltje of ‘domp’ wierpen. Uit het even of oneven aantal dat er uitsprong, werd bepaald wie winnaar was.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
dompen , dompen , zwak werkwoord, onovergankelijk , (Zuidwest-Drenthe, zuid) = huilen Holt toch ies op te dompen, wij weet het nou wel (Zdw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dompen , dompen , zwak werkwoord, overgankelijk , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe, Kop van Drenthe) = 1. dompelen Za’k je ies under water dompen? (Sle) 2. kantelen, met de hevel lichten (Zuidoost-Drents zandgebied, Zuidwest-Drenthe, Kop van Drenthe) Aj an het wègen bint, dan mèuj goed wichte geven, de beschule mut dompen (Hol), Wij moet die stobbe dompen, aans kriew hum der niet oet (Scho) 3. betrappen van de baggermodderlaag, nadat het van boven stijf is geworden (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) Dompen gebeurde mit grote trippen (Ros), Dompen was de eerste fase, de tweede was trappen (Vtm), zie ook baggeltrappen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dompen , dompe , werkwoord , domp, dompte, gedompt , [O] 1. voorover duikelen Laoi te kar van voorene niet te zwaer, anders domp tie Laadt de kar aan de voorkant niet te vol, anders duikelt hij voorover 2. kantelen Ze hebbe de brugpaole eerst messun alle wat losgejutterd en toen ze met een grôôten ballek gedompt Ze hebben de brugpalen eerst samen los gewrikt en ze toen met een grote balk als dommekracht laten kantelen
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
dompen , doompe , werkwoord , doomde, gedoomp , aanplempen , Vb: Roond dè paol good doompe, aanders vêlt 'r zoe öm.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dompen , [opkrikken] , dompen , 1. opkrikken; 2. overhellen; 3. (van vuur) uitdoven (W.-Veluwe).
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
dompen , dômpe , doompe , werkwoord , eerste vorm Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts), Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern); misten, verplaatsen (met koevoet)
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal