elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: donderdags

donderdags , donderdegs , bijvoeglijk naamwoord en bijwoord , 1. Donderdags. 2. Uitroep van schrik, ergernis e.d., akelig, lelijk. | Donderdegs, had ik dát maar weten! Donderdegse joôn dat je d’r benne!
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
donderdags , donders , op donderdag.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
donderdags , dunderdags , bijwoord , op donderdag As het ’s zundags règent op het karkvolk, règent het donderdags op het marktvolk (Hol)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
donderdags , dondes , donderdags
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
donderdags , sjtonderdes , donderdags , sjtonderdes VB: sjtonderdes wäor 't vreuger haaf wëk: daan goûnge de joûnges vryje.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
donderdags , dondes , donderdes , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , donderdags. Dondes gao ik altied bosskoppen doen.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
donderdags , dónderes , donderdags
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
donderdags , donders , donderdags.
Bron: Scholtmeijer, H. (2011), Veluws handwoordenboek, Almere.
donderdags , [donderdags] , stónderdigs , op donderdag
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
donderdags , stónderdes , donderdags (de d is veranderd in een t als gevolg van assimilatie met het voorvoegsel ’(de)s’ dat vroeger voor dit woord stond: ‘des tónderdes’)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal