elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doopsel

doopsel , duipsel , onzijdig , doopsel.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
doopsel , deupsel , doopsel.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
doopsel , duepsel , zelfstandig naamwoord onzijdig , duepsels , - , doopsel , VB: 'r duepsel woerd toûwgedeend doer de keplaon, de pesjtoer kôs neet.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
doopsel , [doop] , dópsel , doopsel
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
doopsel , duipsel , (onzijdig) , doopsel, het dopen, zie ook duip
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
doopsel , dopsel , zelfstandig naamwoord , doopsel; Cees Robben: van et dópsel tòt den dôod; WBD (III.3.3:279) dopsel = doopsel
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
doopsel , duipsel , duipsels , doopsel
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal