elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: doorgang

doorgang , [doorloop] , deurgang , buikloop, ook = ontlasting, (Gron. Zeel. ontlasting); in deurgang wezen = diarrhe hebben.
Bron: Molema, H. (1889), Proeve van een woordenboek der Drentsche volkstaal in de 19e eeuw, handschrift
doorgang , deurgang , ontlasting, ook Drentsch, Zeeland; in deurgang wezen = diarrhee hebben. Kil. deurloop des buycks = buikloop.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
doorgang , duurngaank , zelfstandig naamwoord , deuropening
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
doorgang , duurgaank , zelfstandig naamwoord, mannelijk , 1 mogelijkheid om voort te gaan, 2 deuropening; duurgaank hebm, werkelijk gebeuren, verwezenlijkt worden
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
doorgang , deurgang , diarree
Bron: Steenhuis, F.H. (1978), Stoere en Olderwetse Grunneger Woorden, Wildervank: Dekker & Huisman
doorgang , doorgank , mannelijk , doorgèng , doorgèngske , doorgang.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
doorgang , deurgang , diarree.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
doorgang , deurgang , de , 1. doorgang Tussen die beide huzen is een smalle deurgaank (Dwij) 2. stoelgang Aj goed siepels èet, dan kriej een goeie deurgaank (Ruw) 3. diarree Vanaovend gao ik niet met, ik bin de hele dag al an de deurgang (Dro)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
doorgang , deurgang , deurgaank , zelfstandig naamwoord , de 1. doorgang: plaats, opening waar iets of waar personen doorheen kunnen of waar iets doorheen zit 2. stoelgang
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
doorgang , doergaank , zelfstandig naamwoord mannelijk , doergeng , doergengske , doorgang
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
doorgang , [opening] , deurgang , deurgank , (zelfstandig naamwoord) , doorgang.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal