elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: douw

douw , douw , de , douwen , duw, stoot Hie gaf hum een douw, dat hie kwam in het waoter terecht (And), Daor hef hij wel een douw van mit ekregen een klap van gehad (Wsv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
douw , doüw , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , tegenslag , doüw (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal