elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: drang

drang , drang , (bijvoeglijk naamwoord); wordt van spek en ham gezegd dat door ’t rooken een weinig sterk van smaak is; te Niezijl, enz.: drang, ook drangrîg = sterk, onaangename smaak van vleesch of spek bij het been. Friesch, Oud-Friesch trang, trangh = garstig.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
drang , drang , zelfstandig naamwoord, mannelijk , dringende klacht
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
drang , drang , de , drang Zie moet meer drang achter het wark zetten vaart (Oos)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
drang , drang , draank , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , aandrang , drang VB: Ich heb drang vuur mich 'ns good d'rdoer te goeje; draank Zw: draank hebbe: aandrang hebben om naar de W.C. te gaan
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal