elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dreigen

dreigen , dròwen , (zwak werkwoord) , dreigen; der drout règen, er dreigt regen.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
dreigen , dreigen , driegen , (draigǝ) , (zwak werkwoord, intransitief) , Voornemens zijn, van plan zijn. || Vader dreigt na de Koog te gaan, maar as je niet lank werk hebbe, ken-je hem misschien nog wel effies spreken. Dreig-je gauw weerom te kommen? ‒ Evenzo elders in N.-Holl. (Taalgids 2, 101). Dreigen in deze zin komt reeds in de Mnl. voor (Mnl. Wdb. II, 395) en in de 17de e. bij HOOFT (OUDEMANS, Wdb. op Hooft 79). ‒ Naast dreigen was vroeger ook driegen in gebruik. || “Hoe laat denkt gy (weer na huis) te gaan, wel te verstaan met wat schuit.”(Boer:) “Wel ik dagt merge vroeg maar na huis toe te loopen, maar het kan my zo veel niet schelen, om het selschop wil ik dan wel mee vaaren; driegt men Heer merge ook weer om, en met wat schuit?”, Vlugtende Banqueroetier 47. Evenzo ook bij HOOFT (OUDEMANS, Wdb. op Hooft 80). Tegenwoordig is driegen nog bekend in de Beemster, maar in de enigszins gewijzigde bet. van voornemens zijn, doch dat voornemen niet ten uitvoer brengen, dus dralen, talmen. || Men moet niet driegen maar doortasten, door lang te driegen gaat soms de beste gelegenheid verloren (BOUMAN 23). Leg maar niet te driegen (Navorscher 8, 89). Ook in Friesl. (Makkum) was driegje, voornemens zijn, in gebruik, en daarnaast in dezelfde zin ook drouwje (HALBERTSMA 736 en 757). Bij de 17de-eeuwse Amsterdammers is driegen in de gewone betekenis van dreigen zeer gewoon. || Ick bin veur gien driegen vervaert, BREDERO, Spa. Brab. 1838. Een gedriegt man leeft wel zeven jaar. Alle drieghers vechten niet, SPIEGHEL (ed. VLAMING), 283. Zie verder OUDEMANS, Wdb. op Bredero 92, Wdb. op Hooft 80.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
dreigen , druie , druide, haet gedruit , dreigen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dreigen , dreigen , draaigen, draigen , Ook draaigen, draigen (Kop van Drenthe, Veenkoloniën) = dreigen IJ moet niet aal dreigen, ij moet het ok is een maol dooun (Eex), Wij moet anmaken, het dreigt aordig in de lucht (Sle), Hij dreigde hum mit de biele (Hgv), Hij draaigde mai, dat e mai klappen geven wol (Row)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
dreigen , drîêgen , dreigen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dreigen , driegen , dreigen , werkwoord , 1. als drukmiddel iets onaangenaams in het vooruitzicht stellen 2. (van de werking in de lucht, de weersomstandigheden) de indruk wekken dat er slecht weer op komst is
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dreigen , drûige , dryge , werkwoord , drûigde, gedrûig/drygde, gedryg, drygenterre , dreigen , VB: Ze hebbe 'm gedrûig: es 'r nog ens zäot ês, môt 'r ze riébewiés iénliévere.; dryge
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dreigen , drèège , zwak werkwoord , drèège - drèègde - gedrèègd , dreigen, bedreigen; D. Boutkan: 'Hij bedrèègde mèn meej ene knuppel' (blz.94); Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEDREGEN: 3e hoofdvorm van 'dreigen': DREIGEN, dreeg, gedregen; J.H. Hoeufft, Proeve van Bredaasch Taal-eigen (1836) - GEDREGEN, voor 'gedreigd'. Men zegt het ook meestal in Zuid-Brabant.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal