elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: droogleggen

droogleggen , dreuchlëgge , lach dreuch, haet of is dreuchgelach , droogleggen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
droogleggen , dreugeleggen , werkwoord , droogleggen: droogmaken van plassen tot landbouwgrond
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
droogleggen , druug legke , werkwoord , verschonen , (baby); druug legke (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
droogleggen , drêûglègge , sterk werkwoord , "droogleggen = alcoholgebruik verbieden; Ons kermis is dees jaor vur den irsten keer ""dreug gelee"", dè wil zeggen, dè ge in de café's vur oe goeie centen eigenlijk gin drupke snevel zô't kunnen koopen. De köster was in den raod den eenigste die z'ne mond er tegen durfde open te trekken. Van den eene kaant valt dè te begrijpe, want hij hee-t-'m verduveld gère; en dan ten twidde: die thuis niks as leege briefkes meuge lezen, hebben op 'n aander de miste prots. (Kubke Kladder; ps. v. Pierre van Beek; NTC; Uit ‘t klokhuis van Brabant 4; 2-11-1929)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal