elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: duims

duims , doems , bijvoeglijk naamwoord , duims Doems spiekers (Dwi), (fig.) Hij hef een doems plaanke veur de kop bord voor het hoofd (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
duims , doûms , bijvoeglijk naamwoord , duims , (duims hout) doûms hoüt VB: Doûms hoüt ês hoüt van èinen doûm dik.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
duims , döms , bijvoeglijk naamwoord , duims, een duim dik; A.P. de Bont: bijvoeglijk naamwoord  'duims' een duim dik; dömse planke. Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DUIMS(CH) Eénen duim lang, breed of dik: duims(ch)e planken
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal