elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Duits

duits , dü̂tsch , (bijvoeglijk naamwoord) , duitsch.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
Duits , Duuts , in de zegswijs: hij ken gijn Duuts of Frans (hij verstaat geen Duitsch of Fransch), zooveel als: hij kan lezen noch schrijven, hij heeft niets geleerd.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
Duits , Dutsj , Duits. Doe höbs toch ’n Dutsje tóng in de mónjt: je kunt toch vragen. De dutsje vaan hink oet: de hemdslip hangt uit.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
Duits , Duuts , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Duits Wij hebt Duutse laokens op bedde (Gie), Een Duuts karregien was veur het vervoer van melkbussen (Dal), Dat is een Duutse poepe Duitser (Geb), Een Duutse piepe pijp met lange buigzame steel met kwastje eraan (Mep), Het gung er Duuts toe lawaaierig (Dwij)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Duits , Duuts , het , Duits, de Duitse taal Op de radio was net een leedtie in het Duuts (Eex), Hie kan goed Duuts (Man)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Duits , Duuts , bijvoeglijk naamwoord , Duits, in het Duits
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Duits , Duuts , zelfstandig naamwoord , et; de Duitse taal
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Duits , dûits , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , Duits , VB: Ich heb dûits altiéd 'n sjoen taol gevoonde meh de sjpraakkeuns voond ich hil léstig.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
Duits , döts , bijvoeglijk naamwoord , "Duits; nen dötsen sòldaot; Ok de veurlichting, ok in un pril stadium, wè waar dè eigeluk? kwam ‘nicht im frage’, om mar ens op den Dötse toer te gaon. (Lodewijk van den Bredevoort – ps. v. Jo van Tilborg, Kosset den brèùne eigeluk wel trekken? Dl. 1, Tilburg 2006); K. de Beer - Tilburgs Bijnamenboek (2000) - dötske = uit Duitsland afkomstige vrouw (blz.87); Èn et valt me steeds op dèt er èlke kêer/ Dötse toeristen òn koome draove,/ die daor dan diepe kèùle gòn graove... (Henriëtte Vunderink, ""Dötse kèùlegraover"", uit: Tis de moejte wèrd; 2011); A.P. de Bont: döts, bijvoeglijk naamwoord . - Duits; Goem. DUITSCH - döts; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  DUITS (uitspr.döts) zelfstandig naamwoord.m. (niet als bijv. nw. vermeld)"
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal