elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: Duitser

Duitser , Duisser , Duitscher.
Bron: J.A.V.H. (18e eeuw), Haagsch Nederduitsch woorden-boekje. Den Haag: Johannes Mensert. Uitgegeven in: Kloeke, G.G. (1938), ‘Haagsche Volkstaal uit de Achttiende eeuw’, in: Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde 57, 15-56.
duitser , duutscher , duutscherder , duutschers , (Zuidoost-Drents zandgebied). Ook duutscherder = schreeuwer, opschepper
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Duitser , Duutser , de , Duutsers , Duitser Vrogger kwam hier altied een Duutser mit zenden en haarspitten (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
Duitser , Duutser , zelfstandig naamwoord , de; Duitser
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
Duitser , dûitser , zelfstandig naamwoord mannelijk , dûitsers , - , Duitser , dûitser
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
Duitser , dötser , zelfstandig naamwoord , eigenn. Duitser; A.A. Weijnen, Dialectatlas van Noord-Brabant; Antwerpen 1952 – de tweej dötsers kwaame nòr bèùte
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal