elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: dwarsdrijver

dwarsdrijver , dwaesjdrievert , mannelijk , dwaesjdrievesj , dwaesjdrieverke , dwarsdrijver.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
dwarsdrijver , dwäsdrîêver , dwarsdrijver
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
dwarsdrijver , dwasdriever , zelfstandig naamwoord , de; dwarsligger, iemand die steeds anders wil, die niet meewerkt
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
dwarsdrijver , dwësdryver , zelfstandig naamwoord mannelijk , dwësdryvers , dwësdryverke , dwarsdrijver , dwësdryver
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
dwarsdrijver , dwarsdrèèver , zelfstandig naamwoord , dwarsdrijver; Ik had en ôom, hij is al jaore dôod./ Enen drammer hij wies aaltij alles beeter./ We noemden em dwarsdrèèver of bètweeter,/ òf vringerd, waor ie ok nie van verschôot. (Henriëtte Vunderink, Kriem pasjoonèl?, uit: Tis de moejte wèrd; 2011)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal