elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eerste

eerste , [rangtelwoord] , met den eersten , eerstdaags, zoo spoedig mogelijk.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
eerste , eersten , in de uitdrukking: den eersten dag, voor eerdaags.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
eerste , eerstert , eerstjed , de eerste aan beurt; ik bin eerstert, doe bist andert, (of: twijdert, tweidert, tweider, tweiders) = de tweede aan beurt; hij is dardert. Vgl. andert.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
eerste , eerst , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze de eerst komt as ie klaar is, het eerste kind wordt nu eenmaal niet altijd pas negen maanden na de trouwdag der ouders geboren.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
eerste , uurste , eerste (rangtelwoord).
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
eerste , urste , eerste , Kaojkes in de pan dé was 't urste wa we kriige van't paas geslachte váéreke. Kaantjes in de pan dat was het eerste wat we kregen van het pas geslachte varken.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
eerste , eersie , telwoord , 1. eerst 2. rangtelwoord bij het kinderspel Ik bin eersie Ik ben het eerst aan de beurt
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
eerste , ieste , zelfstandig naamwoord mannelijk , eerste , Zw: 't Ês d'n ieste neet en 't zal oüch waol de lêste neet zién: vergoeilijkende zegswijze.; eersten (één van de eersten) mêt van de ieste VB: Op sjaol wäor 'r altiéd mêt van de ieste
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
eerste , uurste , urste , eerste
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
eerste , zunnen urste , zijn eerste
Bron: Peels-Mollen, J. met werkgroep Weerderheem in Valkenswaard (Ed.) (2007), M’n Moederstaol. Zôô gezeed, zôô geschreeve. Almere/Enschede: Van de Berg.
eerste , eerstes , (zelfstandig naamwoord) , het eerst. IJ is eerstes.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
eerste , ieëste , (mannelijk vrouwelijk onzijdig) , eerste , D’n ieëste de bèste. Ieëste gewin is kattegespin.’t Ieëste weurtj kampioen. Pestoear zaengeltj zichzelf ’t ieëst. ’t Waas ei groeat fieës(t) es eine pas gewiedje preester zien ieëste mès deej in ’t dörp.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
eerste , eersie, twees, ders , op de eerste, tweede of derde plaats geëindigd bij kinderspelletjes. Tijdens het verstoppertje spelen degene die zich als eerste, tweede of derde persoon vrij buut. De term wordt ook gebruikt bij knikkeren
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
eerste , in den eerste , opeens; ineens
Bron: Grauw, Sibrand de en Gerard Gast (2014), ABC Dordt. Dordtse woorden en uitdrukkingen, dialect, verhalen en versjes, gedichten en straattypes, Asaprint Uitgeverij, Dordrecht.
eerste , irste , rangtelwoord , eerste; Cees Robben – Den irste zondag van de maai/ dan trokken wij dur stad en haai/ mee de meziek naor Meuleschot/ naor Lôôn of Beek.... Mar ’t is kepot...../ dauwtrappen is vort van de baon....../ dè hee jandoome afgedaon! (19540508) [Deze prent werd gemaakt naar aanleiding van een dreigende hernieuwing (handhaving) van het oude verbod op katholiek getinte manifestaties op de openbare weg, meestal ‘het processieverbod’genoemd.]; zelfstandig gebruik; Cees Robben – ’t Irste wettie zeej... (19580726); Interview Hermans - 1978 - “Daor hadde vruuger dieje pèttemaoker van Appels èn hedde daor dè kefeej van Eerdewijk, daor gingde mistal en borreltje vatte. Mar witte wè dè is?... Den irste smòkt nie zo goed as de vierde!” (transcriptie Hans Hessels, 2013)zie KLIK HIER om het interview te beluisteren
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal