elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: eet

eet , éêt , eten Vroag ze mar op d’n éêt. Ge hét d’n éêt ver-diend. Nodig ze maar uit voor het eten. Je hebt het eten verdiend.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
eet , eet , zelfstandig naamwoord , in de zegswijze voor (de) oigen eet, voor eigen consumptie. | Hai bouwt ’n kloin hoekie eerappele voor (de) oigen eet.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
eet , ët , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , eetlust , ët Zw: Van d'n ët aof zién: geen eetlust meer hebben.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
eet , aet , zelfstandig naamwoord, mannelijk , (Nederweerts) d’n -, eten, het
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal