elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: erop

erop  , drop , er op.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
erop , drop , erop. ’nen Drop zëtte: vloeken. Drop of drónger: erop of eronder; buigen of barsten. Drop oet trëkke: erop uitgaan. Drop oet zeen: fel zijn op.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
erop , drop , bijwoord , erop , drop Zw: Ze drop kriége: a. een pak slaag krijgen. Zw: verliezen bij het spel. Zw: drop zitte: gierig zijn, op de duiten zitten.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
erop , eróp , erop , Alles zit eróp én erèn. Alles zit erop en eraan. Vaak van een gezonde baby gezegd. , Eróp peere. Erop slaan. Afranselen.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
erop , [erop ] , t’rop , er op , ’t Is t’rop of t’rónger. Waat maakdje ze t’rop?: wat hadden ze te vertellen?
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
erop , derop , erop; derop staôn – gekleed zijn: waat steis se der toch op – wat ben je slecht/vreemd gekleed; get derop höbbe – drachtig zijn ook drop, terop, trop zie ook gelaje, inhöbbe
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
erop , drop , erop ook derop, terop, trop
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
erop , terop , erop; get terop höbbe – zwanger zijn; terop gaon – bespringen ook trop, derop, drop
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
erop , trop , erop ook terop, derop, drop
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal