elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: finale

finale , finaole , finale
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
finale , finaal , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , finaals , - , finale
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
finale , fienaol , zelfstandig naamwoord , "naadje van de kous; N. Daamen - handschrift 1916 - ""Finaal - hij mot er aaltij 't finoal van weten ('t naadje v.d.kous)""; bijwoord, bijvoeglijk naamwoord; finaal, helemaal, totaal, definitief; (zie ook 'stik'); Kees en Bart - dialoog in Tilburg Post 1922-193? - 'de wèreld stao fienaol op d'ren kop'; Mandos, Brabantse Spreekwoorden: aantij et fienaol dervan moete weete (D'l6) - het naadje v.d. kous; Cornelis Verhoeven:  FINAAL (Finaol) bijwoord - helemaal, totaal, definitief: finaol kepot; - Fr. 'final' via Ned. 'finaal', met ronding v.d. 'aa'; A.P. de Bont: bijw. finaal, volstrekt, volslagen; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  FINAAL bijwoord. - geheel, gansch; waarlijk, wezenlijk! Ik ben finaal muug."
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal