elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: flemen

flemen , fleemen , (zwak werkwoord) , vleien.
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
flemen , fleeme , fleemde, haet gefleemp , mooi praten.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
flemen , flemen , fliemen, fleimen, flaimen , Ook fliemen (Zuidwest-Drenthe, zuid), fleimen (Zuidoost-Drents veengebied, Midden-Drenthe), flaimen (Veenkoloniën, Kop van Drenthe) = vleien, paaien Hij zit altied mooi met hum te flemen (Zdw), IJ heuift niet zo te flemen, het geeit toch niet deur (Gas), Hij fleimt de baos ok weer naor de bek (Klv), Ain kind fleimt om ain snoepie (Vtm), Hie döt de heeile dag niks aans as flemen met zien baos (Eex), Hij lop maor al um heur toe te flemen (Die), ...te flemen en te mooiproten (Sle), zie ook fliemstrieken, glemen
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
flemen , flemen , fliemen , werkwoord , flemen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
flemen , flêême , werkwoord , flêêm, flêêmde, geflêêmd , vleien, flikflooien, aanhalig doen Zie flikflooie
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
flemen , flème , werkwoord , flèmde, geflèmp , vleien , (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal