elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geloop

geloop , geloop , voor: vrij komen en gaan van iedereen; ʼk wil dat geloop an hoes (of: om deur) nijt hebben. (v. Dale: geloop = het loopen; dat huis heeft veel geloop = het is daar zeer druk, er komen veel menschen. Middel-Nederlandsch geloop = drukte, gewoel, bedrijvigheid, ook Groningsch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geloop , geloups , onzijdig , geloop. Waat ẹ geloups: wat een drukte.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geloop , geloop , het , geloop Toen zien moeder dat geloop veur de bienen dikke begunde te vervelen, gaf ze hum een paar haandties vol koekies (ov), Een geloop en gedraaf (md), Dat wicht hef veul geloop um de deur veel vrijers (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
geloop , geloop , geloop
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
geloop , gelops , geloüps , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , geloop , gelops VB: Ich been bly dat 'r van 't hospetaol aof ês, daan been ich van 't gelops aof; geloüps
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
geloop , [geloop] , geloup , geloups, geloops , (onzijdig) , geloop , Mèt al det geloup(s) kóm ich neet wiejer.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
geloop , gelaûps , gelaups , geloop
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
geloop , geloup , geloups , zelfstandig naamwoord, onzijdig , aanloop, veel
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal