elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gepaardenkeuteld

gepaardenkeuteld , gepêrdskuüteld , bijvoeglijk naamwoord , opgelaten , (door toegezwaaide lof) gepêrdskuüteld VB: Ich veul mich gaans gepêrdskuüteld mêt de ier dy d'r mich betûint.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gepaardenkeuteld , gepaerskeuteldj , gepaerskuuëteldj , bijwoord , eerste vorm Buitenijen (kerkdorpen rondom stadskern), Nederweerts, Ospels; tweede vorm Weerts (stadweerts); beetgenomen, gevleid, overdonderd
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal