elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gelovig

gelovig , gluivich , gluivigger, gluivichste , gelovig, ’ne Gluivigge katteliek: een gelovig katholiek.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gelovig , geleuvig , gelovig.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
gelovig , geleuvig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , gelovig Dat was een echt geleuvige vrouwe (Exl), Het bint arg geleuvige meinschen (Stu), Hij dut zich barre geleuvig veur, mar hij leeft der neet naor (Pes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gelovig , geleuvig , gelovig , bijvoeglijk naamwoord , gelovig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gelovig , gelûivig , bijvoeglijk naamwoord , gelovig , VB: Dat ês noé nog 'ns 'n gelûivige vroûw, dy köms te neet mie zoe vëul tiënge.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gelovig , geleuvig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , gelovig. IJ is ärg geleuvig.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
gelovig , gluivig , gelovig
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal