elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gelukkig

gelukkig , gelukkig , (bijvoeglijk naamwoord) , Zie de wdbb. – Zegsw. Zo gelukkig as ’en kat die op zen verjaardag verzuipt.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gelukkig , gelökkich , glökkich , gelökkigger, gelökkichste/glökkigger, glökkichste , gelukkig. Waat laeve ver toch lang en gelökkich: wat hebben we het toch goed.; glökkich gelukkig
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gelukkig , gelukkig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Voor var. z. geluk = 1. gelukkig Ze is gelukkig getrouwd (Zwe), Wiest der gelokkig mit (Ruw), Bist doe ook gelukkig mit dien waark? (Eco), Ze hebt de leste jaoren gelokkig eboerkt en flink wat op de baank kunnen zetten voorspoedig (Ruw), Gelukkig neijaor nieuwjaarswens (Pdh) 2. gelukkigerwijs Dat is gelukkig nog goud oflopen (Bov), Hij het het gelukkig niet zein (Row), Gelukkig, daor ben we weer of dat hebben we weer gehad (Klv) *Geld allennig mak niet gelokkig (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gelukkig , gelokkig , lokkig , bijvoeglijk naamwoord , gelukkig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gelukkig , gelökkig , bijvoeglijk naamwoord , gelukkig , VB: Ich been toch zoe gelökkig es ich m'n keender en klejnkeender öm mich heen heb.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gelukkig , gelökkig , gelökkiger, gelökkigst , gelukkig
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal