elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gemengd

gemengd , gemengeld , (bijvoeglijk naamwoord) , Afwisselend. Thans in onbruik. || Ik heb my in de vertellinge van de Zaan soo vermaakt, even of wy aan de lieffelijke en gemengelde Zaan met de hoogste vermakelijkheidt geseten hadden, SOETEBOOM, S. Arc. 275.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
gemengd , gemengd , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , gemengd Wij hebt op dizze akker gemengd zaod zeid (Pdh), Dat meel is gemengd (Bov), As kiepevoer was vrogger maispitten en gemengd voer bekend (Wsv), Gemengd graan van verschillende soorten (Pdh), Een gemengd huwelijk van partners met verschillende geloofsachtergrond (Bco), Eerder was gemengd zwemmen verboden (Erf), Wij hadden een gemengd koor met mannen en vrouwen (Schl), Tegenswoordig zit de meinsen gemengd in de karke (Hgv), Der zat een gemengd gezelschap in de kroeg een gezelschap van heel verschillende typen (Eex), Vee en bouw, dat is een gemengd bedrief (Hol), (zelfst.) Ik moet een zak ochtendvoer en een zak gemengd hebben (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gemengd , maand , bijvoeglijk naamwoord , gemengd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gemengd , gemengd , gemingd , bijvoeglijk naamwoord , gemengd; zelfst.: een zak gemengd kippenvoer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gemengd , gemongen , zelfstandig naamwoord , et; veevoer gemengd van samenstelling
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gemengd , mingd , mengd , bijvoeglijk naamwoord , door elkaar gemengd
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
gemengd , gemynk , gemengd , gemynk VB: 'n Oonderwërk broed zién twie soerte mèl oonderèin gemynk.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal