elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gespan

gespan , gespan , voor werk- of trekbeesten. , wanneer iemand te kennen wil geven dat hij een goed werkpaard of os bezit, zegt hij gemeenlijk, dat hij een goed gespan heeft. Zoo hoort men den eenen boer den anderen hier menigmalen vragen, welk gespan hij heeft. Gespan houden is alzoo trekkend vee met karren, etc. houden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
gespan , gesjpan , onzijdig , gesjpander , gesjpènke , gespan.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gespan , gespénneke , gespannetje , Zóó 't ménneke, zóó 't gespénneke. Zo het mannetje, zo het gespannetje. Zo de man is zo gaat hij om met zijn spullen.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
gespan , gesjpaan , zelfstandig naamwoord onzijdig , gesjpaander , - , gespan , VB: Dao leep e gesjpaan Belzje mère ién 't gesjpaan vuur de oûsker.; kozijn gesjpaan VB: 'r Hèt de gaansen däog niks gedoën es ién 't duurgesjpaan gesjtaande.; deuropening gesjpaan (idem)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gespan , gespènneke , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , Henk van Rijen - gespan, gereedschap
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal