elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gesticht

gesticht , gesticht, ’t , de bedelaarskolonie Veenhuizen, wanneer er sprake van is om iemand daarheen te zenden; ook Amsterdamsch
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
gesticht , gesjtich , onzijdig , gesjtichter , gesticht.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
gesticht , gesteecht , instelling waar oude mensen kunnen wonen en/of verzorgd worden.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
gesticht , gesticht , bejaardenhoês.
Bron: Kuipers, Cor e.a. (1993), Zò bót ás en hiëp. Plat Hôrster, Horst.
gesticht , gesticht , het , gestichten , gesticht Geestelijk is e niet meer honderd procent, hie komp in het gesticht terecht (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
gesticht , gesticht , gesticht
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
gesticht , gesjtich , zelfstandig naamwoord onzijdig , gesjtichte , - , gesticht , VB: 'r Wäor op 't ênd van ze lëve zoe doerèin dat ze 'm nao e gesjtich hebbe môtte bringe.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gesticht , gesticht , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gestichte , ziekenhuis, (Nederweerts) bejaardenhuis
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
gesticht , gesticht , zelfstandig naamwoord , WBD III.3.1:331 'gesticht' = gekkenhuis; WBD III.3.1:332 'gesticht' = rusthuis
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal