elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: getuig

getuig , getuig , voor slecht volk, tuig.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
getuig , getü̂g , (onzijdig) , getü̂ge , paardentuig (collectief).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
getuig , getuug , paardentuig.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
getuig , getuug , o , gerei. (paardenwereld?)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
getuig , getuuch , onzijdig , tuig; gereedschap. Hae geit door ’t getuuch haer: hij is niet te houden. Hae is de gansen daach in ’t getuuch gewaes: hij was de hele dag bezig. Sjlėch getuuch, sjlėch wėrk: om goed werk te kunnen maken, moet men over goed gereedschap
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
getuig , getuuch , 1) gerief, gereedschap; 2) paardetuig in het algemeen; 3) geslachtsdelen (algemeen); getuuch èntrékke, paard optuigen; getuuch afdoe:, paard aftuigen.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
getuig , getuug , paardetuig.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
getuig , getûg , tuig , Getûg is iet wór ge meej wèrkt mér 'r is ók pàèrdegetûg, dé's dus ander getûg. Gereedschap is iets waar je mee werkt maar er is ook paardentuig, dat is dus ander tuig.
Bron: Hendriks, W. (2005), Nittersels Wóórdenbuukske. Dialect van de Acht Zaligheden, Almere
getuig , getuúg , zelfstandig naamwoord onzijdig , getuger , - , gereedschap , getuúg (mnl. getuuch: gereedschap); tuig zie: gepeupel; getuúg. VB: 't getuúig van 't përd hynk ién de sjtaal; paardentuig Zw: Oét 't getuúg goën: uit de band springen.; gepeupel getuúg (onzijdig, geen meervoudsvorm); corset (spottend) getuúg (vero.)
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
getuig , getuig , gereedschap
Bron: Melis, A. van (2011) Bikse Praot. Prinsenbeeks Dialectwoordenboek. Prinsenbeek: Heemkundekring ‘Op de Beek’
getuig , getùg , tuig , ’t Getùg van ’t pèrd li in de pèèrdestal. Het tuig van het paard ligt in de paardenstal.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
getuig , getög , getuug , zelfstandig naamwoord , gereedschap (Eindhoven en Kempenland); getuug; getuig (Helmond en Peelland)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
getuig , getuug , (onzijdig) , 1. getuig 2. gereedschap , Hae ging gans door ’t getuug: hij ging helemaal door het lint. Doot ’t paerd ’t getuug aan.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
getuig , getg , getuug , zelfstandig naamwoord , getuge , getuugske , paardentuig; door het getuug gaôn – door het lint gaan; in het getuug haoje – in bedwang houden ook gesjiër
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
getuig , getuûg , zelfstandig naamwoord, onzijdig , getuûge , paardentuig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
getuig , getuûg , zelfstandig naamwoord, onzijdig , gemeen volk, gereedschap, gerei, tuig
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
getuig , getèùg , zelfstandig naamwoord , gereedschap; mannelijk geslachtsorgaan; Cees Robben – D’r gao niks boven aauwverwets getuig... (19720310); ook als ‘gereedschap’ in de figuurlijke zin van mannelijk geslachtsdeel; in die zin door Robben uitgebreid tot ‘voorbehoedmiddel’; Cees Robben – Ik kan er niks aon doen, pa... [dat mijn vriendin zwanger is] Ik hâ m’n getuig nie bij me... (19810710); WBD III.2.1:225 'ketsgetuig' = idem (vuurslag+ vuursteen); WNT GETUIG - voorheen, en thans nog in vlaamsch België, in denzelfden zin gebezigd als TUIG, gereedschap, gerei ...; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal – GETUIG: gereedschap, mannelijk geslachtsorgaan; 'z'n getög afnemen' = castreren; dubbelzinnig: 'hij haj z'n getög meegebrocht'. A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord 'getuig'- 1) gereedschap; 2) minachtende benaming voor de vrouwen); 3) de vrouwelijke resp. manlijke geslachtsdelen; 4) gerei, soort, tuig; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GETUIG zelfstandig naamwoord o. - hetz. als in het Holl. tuig, gereedschap
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal