elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: geul

geul , guilen , de geulen in het rauwe slijk; “omdat guilen ien riet dichtsliekt zatten.” Zie ook: gabbêln.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
geul , guul , zelfstandig naamwoord de , Geul, sleuf.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
geul , gäöl , mannelijk, vrouwelijk , gäöle , gleuf aan het begin van de beugelbaan, vanwaar men de bal begint te spelen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
geul , geule , geul.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
geul , geule , zelfstandig naamwoord , de; geul, sleuf
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
geul , gëul , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , stank , gëul VB: Dao kaom mich toch 'nne gëul oét z'nne moond, versjrikkelik.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
geul , gultje , zelfstandig naamwoord, verkleinwoord , van 'geul'; Henk van Rijen –  geultje
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal