elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: gevogelte

gevogelte  , geveugelte , gevogelte.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
gevogelte , gevöchel , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , gevogelte , gevöchel; uitgelaten (groep uitgelaten personen) gevöchel VB: Zoe te hure ammezeert zich dat gevöchel waol.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
gevogelte , gevoggelt , zelfstandig naamwoord , gevogelte; A.P. de Bont – zelfstandig naamwoord o. –Gevogelt -gevogelte; Cornelissen & Vervliet - Idioticon van het Antwerpsch - 1899 -  GEVOGELT zelfstandig naamwoord o. -gevogelte
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal