elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: glans

glans , glans , in: mit glans = glansrijk; hij het ’t mit glans wōnnen = hij was zijnen medestrijders verreweg de baas; hij et ’t mit glans op = hij eet het op zonder zich geweld aan te doen; hij springt mit glans over die wiede sloot; hij is mit glans deur ’t eksoamen komen, enz.; ook Amsterdamsch en Zaansch.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
glans , glaons , mannelijk , glans
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
glans , glaans , zelfstandig naamwoord, mannelijk , glans
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
glans , glans , mannelijk , glans; gemak. Dat haolste mit glans; dat sjafste mit glans: dat lukt je makkelijk.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
glans , glaans , glans , Ook glans (Zuidoost-Drenthe, Veenkoloniën) = glans Kerel, daor lig een mooie glans op dat peerd (Klv), Op dat kabinet lig een mooie, diepe glaans (Pdh), Ze hebben een mooie glaans op de deuren (Eri), Daor is de glaans ok of gezegd van iemand die duidelijk oud wordt (Sle), Veur heur trouwen was het zo’n net maagien en nou zit er gien glaans of heerlijkheid meer op (Ruw), Hij is mit glans deur het examen kommen (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
glans , glans , glaans , (Kampen) glans. Ook: glaans (Kampereiland, Kamperveen)
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
glans , glaans , glaanze , zelfstandig naamwoord , de; glans
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
glans , glaans , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , glans , glaans VB: 'r Leet zich doer de glaans van 't goüd verblênne.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
glans , glaans , zelfstandig naamwoord , B glans; Cees Robben - ’t eksaome van ’t verkeer/ wier dan ôôk mee glaans genomen... (19540717); WBD III.2.3:163 'glans' = dauw (laagje op vruchten}
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal