elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: goddeloos

goddeloos  , goddeloës , goddeloos.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
goddeloos , goddeloôs , bijvoeglijk naamwoord , in de zegswijze ’t is goddeloôs!, het is meer dan erg.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
goddeloos , goddeloos , goddeloos. Goddeloos sjtóm, vrėch enzovoort: erg dom, brutaal enzovoort.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
goddeloos , goddeloos , bijvoeglijk naamwoord , goddeloos Hij leidt een goddeloos leven (Bui), (zelfst.) *Het uutschot is veur de goddelozen (Klv)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
goddeloos , goddelôôs , bijvoeglijk naamwoord , goddeloos
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
goddeloos , goddeloes , bijvoeglijk naamwoord , goddeloos , goddeloes Zw: Dao wäor gèine goddeloeze mêns ién 't hoés: niemand. Zw: Dy geleujetigge goddeloeze: dat vermaledijde geld.; goddeloeze geld
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal