elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hanenschree

hanenschree , haoneschréêj , binnen korte tijd/afstand, ± 5 min. lopen (de afstand waarbinnen men de haan nog kan horen kraaien.)
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hanenschree , hanegeschrei , haneschrei, hanenschreeuw , zelfstandig naamwoord , (KRS: Werk) haneschreeuw (KRS: Scha), haneschrei (KRS: Werk; LPW: Bens) zeer kort ogenblik; eigenlijk de tijd die een haan nodig heeft om éénmaal te kraaien; ‘Da’s maar voor een hanenschreeuw.’ (Scha), ’Na 21 december wordt elke dag een haneschrei langer.’(Werk) Met dezelfde betekenis: hanetree (LPW: Mont); ‘Met Driekoningen is de tijd een hanetree vooruit.’ (Mont). Het zou goed kunnen dat de vorm hanetree , gezien de betekenis ‘zeer kort (ogenblik)’ oorspronkelijk is. Het opvallende aan de loop van de haan zijn namelijk de zeer korte stappen. Ook het kraaien van een haan duurt weliswaar niet heel lang, maar is niet direct opvallend vanwege zijn kortheid. Het feit dat hanegeschrei , hanetree etcetera steeds in verbinding wordt gebracht met het lengen van de dagen, en dan vooral vlak na 21 december, min of meer in een vaste uitdrukking, werpt enig licht op de vraag hoe hanetree kon overgaan in hanegeschrei : het kraaien van de haan markeert het aanbreken van de dag, waarvan het tijdstip in de winter elke dag een klein beetje vroeger komt te liggen. Van dag tot dag kraait de haan steeds een beetje vroeger. Op den duur heeft haneschrei (mogelijk via een tussenvorm haneschree , die in de Van Dale (1992, p. 1102) voorkomt) zelf de betekenis ‘zeer kort’ overgenomen; natuurlijk vooral in ‘zeer kort ogenblik, maar ook wel in andere opzichten ‘zeer kort’. In het centrum van de stad Utrecht bevindt zich een straatje met de naam ‘Haneschrei’, en daar geeft het inderdaad aan dat het een heel kort straatje betreft. De overgang naar haneschrei is mogelijk begunstigd door associatie met schrijden , een werkwoord dat precies de loop van een haan karakteriseert. De vorm hanegeschrei komt ook in de Vechtstreek voor (Van Veen 1989, p. 65).
Bron: Scholtmeijer, H. (1993), Zuidutrechts Woordenboek – Dialecten en volksleven in Kromme-Rijnstreek en Lopikerwaard, Utrecht
hanenschree , haonesjrie , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , afstand , (kleine afstand) haonesjrie VB: Och gaank toch te voot, 't ês mer 'nnen haonesjrie; tijd (zeer korte tijd) haonesjrie Zw: Mêt Drykuüninge lenge de daog 'nne haonesjrie.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hanenschree , [hanengekraai ] , hanesjrej , (mannelijk) , 1. hanengekraai 2. korte tijdspanne
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
hanenschree , haoneschreej , zelfstandig naamwoord , de schrede van een haan; figuurlijk: een zeer korte afstand, de uitersten liggen heel dicht bij elkaar; Cees Robben – Van schreuwe tot laage.../ Van hemel naor hel.../ Van engel naor duvel.../ Van waereld naor cel... (...) Wè zèn we toch tobbers.../ unne haoneschreej... (19570112)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal