elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: harp

harp , harp , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , In een pelmolen. Een grote langwerpig-vierkante zeef, waarop het fabrikaat wordt gezift. Men heeft een gepelde-garstharp en een korenharp. Buiten het werk heeft men vaak ook nog een staande harp, om stof en klander uit te zeven.|| Verder moet hebben dese molen twee pelsteene, ider op een solder bisonder, met drie harpe en twee weyjerijje (waaierijen), reetschappe, kasse, pelmeelshokke, slagbalke, enz., Hs. bestek pelmolen (a° 1759), Zaanl. Oudhk. – Harp, zeef, is ook elders gebruikelijk (VAN DALE). Evenzo harpen, ziften. Het woord zal wel identiek zijn met harp, het snareninstrument. – Vgl. harpdop en uitharpsel.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
harp , harp , de , harpen , harp Hie speulde hiel mooi op de harp (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
harp , harpe , de , harpen , (wb) = schuinstaande zeef
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
harp , ärpe , harp
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
harp , harpe , haarpe, harp , zelfstandig naamwoord , de; harp
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
harp , harrep , harp, herrep , zelfstandig naamwoord , harrepe, harpe, herrepe , harrepie, harpie, herrepie , harp als landbouwwerktuig, een opstaand lattenrek Hij stong bij het mutte an d’n harrep Hij stond bij het aardappelen in mudzakken doen bij de harp Ook harp; herrep [O] harp (hellende schudzeef om aardappelen van de aanhangende aarde te ontdoen)
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
harp , hérp , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , hérpe , hérpke , harp , VB: De hebs neet vëul lûi dy op 'n hérp kênne sjpuüle.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
harp , ärpe , (zelfstandig naamwoord) , harp.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal