elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heb

heb , héb , m , hebben Vör d’n héb Om het hebben op zich.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
heb , héb , hép , v , hebzuchtige, inhalige vrouw Dè’s ’n echte héb/hép Dat ie een echte inhalige vrouw.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
heb , höb , mannelijk , den höb, het bezit. Al veur den höb en de kriech: hebzuchtig zijn.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
heb , heb , hebberig , (hebberig zijn) op d'n heb oét zién
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
heb , hèb , zelfstandig naamwoord, vrouwelijk , het hebben, bezit hebben; Miep Mandos-v.d. Pol - Aantekeningen Brabantse spreekwoorden - ;  gezegde: Tis er êene van Kleef, daor haawe ze meer van den hèb as van de geef.
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal