elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: heien

heien , heien , (haaiə) , (zwak werkwoord) , vgl. hei, loshaaien en onbehaaid. – Over schel haaien, in oliemolens. Verzuimen de loshaai in werking te brengen, nadat de schel (vgl. op schelrad) gewaarschuwd heeft, dat de koeken het vereiste aantal slagen hebben gehad. Overdrachtelijk gezegd van iemand die over zijn taxe gaat, die meer verteert dan zijn bezitting toelaat. || Je moete niet over schel haaien; aars gaat ʼet niet goed.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
heien , hèie , hèide, haet of is gehèit , heien; stampen.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
heien , heien , haaien, haien , Ook haaien, haien (Veenkoloniën, Kop van Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = heien Veur aj gaot bouwen, muj eerst heien (Bro), Een paol in de grond haaien (Bco)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
heien , eien , heien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
heien , haaie , werkwoord , haai, haaide, gehaaid , heien
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
heien , hej , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , heide , hej VB: De Brunsemer hej ês hil sjoen, de môs toch 'ns d'rheen goën.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
heien , hejje , werkwoord , hejde, gehejd , heien , VB: Ién Hollend ês de groond zoe sjlap, dao môtte ze waol hejje.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal