elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hellen

hellen , helle , helde, haet gehelt , hard, ingespannen of onder moeilijke omstandigheden werken; doen; laten begaan. Zou ver noch mer ’ns helle: zouden we nog een spelletje doen?
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hellen , [korenschoven aan elkaar binden] , helken , een zeel binden om een aantal (meestal zes) korenschoven (garven) om die zo als een gas of gast bij elkaar te houden.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
hellen , hellen , zwak werkwoord, onovergankelijk , hellen, afhangen Het voor zaod begunt aordig te hellen (Bal), Deur de zwaore snei begunt de takken van de struken slim te hellen (Die), Die muur helt slim (Ass), Dat stuk laand helt baide kanten op (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hellen , ellen , hellen
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hellen , helle , werkwoord , begaan , (laten begaan) laote helle (zie: 'laten') VB: Laot 'm mer helle, 'r zuút waol wie 'r aon kömp.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hellen , [moeizaam proberen] , helle , heltj, heldje, geheldj , moeizaam proberen , Neet lang helle, mer belle.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal