elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoef

hoef , hôf , (mannelijk) , hoef (van een paard).
Bron: Gallée, J.H. (1895). Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch Dialect. Deventer: H.P. Ter Braak
hoef , hoof , hoove , heufke , hoef.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hoef , hoof , zelfstandig naamwoord, mannelijk , heuwe , heufken , hoef
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
hoef , hoeve , zelfstandig naamwoord meervoud , in de zegswijze louve hoeve hewwe, schertsend voor: vermoeide voeten of benen hebben.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hoef , houf , vrouwelijk , houve , huifke , hoef.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hoef , hoef , hufie , hoef.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
hoef , hoef , houf, hoeve, hoouf, hove, hoof, houve , de , hoefen , (Zuid-Drenthe, Midden-Drenthe). Ook houf (Zuidoost-Drents veengebied, Kop van Drenthe), hoeve (Zuid-Drenthe), hoouf (Midden-Drenthe), hove (Zuidwest-Drenthe, noord), hoof (Midden-Drenthe, Veenkoloniën), houve (Veenkoloniën, Zuidoost-Drents veengebied) = hoef Dat peerd hef een slechte hoef (Klv), ...een baarstie in de hoof (Bal), Koenen en sikken moet de hoven geregeld bekapt worden (Hijk), De hoef is of esleten der möt een nei iezer onder (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hoef , oeve , ôêve , hoef. Ook: Gunninks woordenlijst van 1908: ôêve
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hoef , houve , zelfstandig naamwoord , hoefblad D’r sting zôôveul houve in de errepels datter gêên deurkomme an was Er stond zoveel hoefblad in de aardappelen dat er geen doorkomen aan was
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
hoef , hoûf , hoof , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , hoûve/hove , heufke , hoef , VB: De hove van e përd wörde besjermp doer de hoofiézers.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hoef , hoûf , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , hoûve , hoef , hoûf buitenkansje hoûf VB: Dat wäor mich 'n hoûf es ich mêt kôs goën.; grap poets hoûf VB: Hebs te gehuurd wat dao gebëurd ês? Dat ês mich oüch 'n hoûf.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hoef , oef , hoeve, boerderij. ook paardenhoef.
Bron: Luysterburg, J. e.a. (2007), Dialecten in het Zuidkwartier. Hoogerheide, Ossendrecht, Putte, Woensdrecht, Heemkundekring Het Zuidkwartier.
hoef , oeve , (zelfstandig naamwoord) , zool van een paard.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal