elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: holte

holte , [uitholling, laagte in het land] , hoolte
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
holte , haölde , vrouwelijk , haöldes , holte.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
holte , holte , de , holtes , holte, holle ruimte tussen iets Der zit een holte achter dat beschot (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
holte , hulten , zelfstandig naamwoord , mv.; in hulten en bulten kuilen en verhogingen
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
holte , hëulde , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , hëuldes , - , holte , VB: De hëulde aachter d'nne kneej neume v'r de hies.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal