elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hondenkar

hondenkar , hōndekar , zie: karhond.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
hondenkar  , hôndsker , hondekar.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
hondenkar , hons-kar , v , hondenkar.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
hondenkar , hónjskar , vrouwelijk , hónjskarre , hónjskėrke , hondekar.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hondenkar , hondenkar , hondekar , de , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook hondekar (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = hondenkar Zie gungen met de hondenkar hen melken (Sle)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hondenkar , honnekarre , zelfstandig naamwoord , de; hondenkar
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hondenkar , honsker , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , honskerre , honskerke , hondenkar , honsker Zw: ‘n honsker te groet: veel te groot.; groot (veel te groot) 'n honsker te groet VB: Dèn trikkoo ês mich 'n honsker te groet, dè hynk mich tot aon m'n kneje.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hondenkar , ondeköre , (zelfstandig naamwoord) , hondenkar.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hondenkar , hónjdsker , zelfstandig naamwoord , hónjdskerre , hónjdskerke , hondenkar
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
hondenkar , hondekèèr , zelfstandig naamwoord , hondenkar; WBD broodkar met hond eronder; Interview dhr. Van den Aker – 1978 – “…èn Keej de Pèlder die daor bij et krèùthöske wonde, witte gij dè nòg in den Bèrndèèk òf in de Oerlesestraot was dè toen…èn dan ginge ze rije op en hondekèèr want zij was zon hil dikke!” (transcriptie Hans Hessels 2014) zie Klik hier voor audiofragment; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch (1899): HONDEKAAR en HON(D)SKAAR (Nederl. a) - kar met een of meer honden bespannen
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal