elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hondenweer

hondenweer , hondeweer , "slecht of buiig weer; ruw, vooral sneeuwend weer, d.i. een weer om geen hond uit te sturen."
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
hondenweer , hónjswaer , onzijdig , hondeweer.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hondenweer , hoondeweer , slecht weer.
Bron: Crompvoets, H. en J. van Schijndel (1991), Mééls Woordeboe:k. Meijel: Medelo.
hondenweer , hondenweer , hondeweer , het , (Zuidoost-Drents zandgebied, Midden-Drenthe). Ook hondeweer (Zuidwest-Drenthe, Noord-Drenthe, Zuidoost-Drents veengebied) = slecht weer, hondeweer Ik gao der nich oet. Het is ja hondeweer (Bov)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
hondenweer , honneweer , zelfstandig naamwoord , et; hondenweer
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
hondenweer , honswèr , zelfstandig naamwoord onzijdig , - , - , hondenweer , VB: Mejns te dat ich ién dat honswèr kemissies gaon doén? Ich gelûif dats te ze zuús renne.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hondenweer , hónswaer , hóndswaer , (onzijdig) , hondeweer
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal