elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: hoogheid

hoogheid , hooghäid , vrouwelijk , de voorname stand. Dät is niks as hooghäid: dat is niets dan verbeelding.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
hoogheid , houghedens , houghedes , zelfstandig naamwoord meervoud , Hoge pieten, hoge omes.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
hoogheid , hoocheit , mannelijk, vrouwelijk , hoocheite , hoogheid.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
hoogheid , oogeid , betere stand
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
hoogheid , hoeghèid , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , - , - , hoogheid , VB: Eur hoeghèid, preens Karneval.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
hoogheid , [hoge staat] , oogeid , (zelfstandig naamwoord) , hoogheid.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
hoogheid , [hoogheid] , hoeagheid , (vrouwelijk) , hooggeplaatste personen , Vreuger waas hieël get hoeagheid in Thoear.
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal