elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: houterig

houterig , huterig , (bijvoeglijk naamwoord) , 1) Stijf, stram; van paarden, doch ook wel van oude mensen. || Wat wordt die knol huterig. Ja, jongen, ik ben al wat huterig; ik ken niet meer zo gauw. 2) Onrustig, ongedurig; naar de volksmening een gevolg van het eten van paardevlees. || Van peerdevlees wor-je (wordt men) huterig. – Vgl. huut.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
houterig , hèûlterig , houterig , (klank als in nurse E.) houterig stijf; houterig lopen stram lopen
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
houterig , huterig , bijvoeglijk naamwoord , Erg stram, stijf, houterig. Vgl. huut.
Bron: Pannekeet, J. (1984), Westfries Woordenboek, Wormerveer
houterig , hölterig , houterig.
Bron: Bos-Vlaskamp, G. e.a. (1994), Olster woorden, Olst.
houterig , hölterig , houterig, onbehouwen.
Bron: Werkgroep Dialekt van het Cultuur Historisch Genootschap Raalte (1995), Nieuw Sallands Woordenboek, Raalte
houterig , holterig , holsterig , bijvoeglijk naamwoord, bijwoord , Ook holsterig (Zuidwest-Drenthe, zuid in bet. 2.) = 1. houterig Dat is dik holterig stro (Klv), Het kwam der aordig holterig oet (Sle), Harm stiet er altied zo holterig bij net as hij der niet bijheurt (Hav) 2. stijf, lomp Wat is dat een groot holterig vrouwmens (Bco), Ze beweug heur niet makkelijk ze is wat stief en holterig (Bro), Wat lup det meinse holsterig (Pes) 3. met uitstekende beenderen Dat peerd hef een holterige kop (Bei), Wat hef dei een holterig gezichte (Bov), Hie kik wat holterig oet nogal magertjes (Sle), Die koou is zo holterig de botten steekt aal kaanten deur ’t vel (Eex)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
houterig , hoolterig , bijvoeglijk naamwoord , 1. houterig (m.b.t. het lopen) 2. houtachtig, houtig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
houterig , hoüterig , bijvoeglijk naamwoord , houterig , VB: Wat löp dat mèitske hoüterig.; houtig
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
houterig , [stijf] , ölterig , (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) , houterig, stijf.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal