elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: huishuur

huishuur , huishuur , (zelfstandig naamwoord vrouwelijk) , zie zegsw. op eten.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
huishuur , huushure , zelfstandig naamwoord , de; huishuur
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
huishuur , hoésheur , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , hoésheure , - , huishuur , VB: De hoésheur ês alweer opgesjläoge.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal