elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: huts

huts , huts , ook met den huts = in menigte, hoeveelheid.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
huts , huts , höts, öts , vrouwelijk , hutse , hutske , bult.; höts buil, bult, zie ook: huts.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
huts , öts , huts , mannelijk , ötse , ötske , buil. Hae haet ’n öts aan de kop wie ’n voės: hij heeft een enorme buil aan zijn hoofd. ’n Öts wie de paatesjkirk: een grote buil.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
huts , huts , zelfstandig naamwoord vrouwelijk , hutse , hutske , buil , VB: Noé been ich mich toch mêt de fits gevalle, niks gebroëke meh 'n huts op m'nne kop! Zw: 'n huts wie 'nne kloomp
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
huts , huts , zelfstandig naamwoord , "huts; WNT Wsch. de stam van 'hutsen' als zelfstandig naamwoord gebruikt; vooral in Z-Nederl. in de uitdrukking 'Met den huts' - in overvloed, bij de vleet, voor 't opscheppen, en ook: geheel, niet bij deelen. Brabantse spreekwoorden (Mandos): ze meej den huts hèbbe (Handschrift Daamen 1916) volop hebben, met hopen; N. Daamen (handschrift 1916) – ""huts - hij hee ze mar mit den huts (met den hoop, volop)"""
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal