elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ietsje

ietsje , ijtske , ijske , (ietsje) = één oogenblik; ook = klein weinigje, ’n bewies
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
ietsje , ietsien , ietsies , ietsje
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ietsje , ietskes , o , een ogenblik, even ietskes te laot Een ogenblik te laat.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
ietsje , ietsien , ietsienpietsien , het , ietsies , Ook ietsienpietsien = ietsje Die iene bigge is een ietsien, ...ietsienpietsien kleiner as die aander (Sle), Woj het hebben, der zit nog een ietsien in (Emm)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ietsje , ietskes , beetje. s ietskes trug stoon, ga eens een beetje naar achteren.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ietsje , ietsien , iets, klein beetje. Ook: ietsepietsien
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
ietsje , ietsien , een klein beetje.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
ietsje , ietsien , ietsiepietsie, ietsepietsie, ietsje , zelfstandig naamwoord , et; zeer kleine maat (in verb.)
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ietsje , ietsie , zelfstandig naamwoord , ietsje, beetje, kleinigheid ’t Is een ietsie meer, zee de kaesboer
Bron: Werkgroep Dialecten Hoeksche Waard (2006), Hoekschewaards woordenboek, Klaaswaal.
ietsje , ietske , zelfstandig naamwoord onzijdig , ietskes , - , hoeveelheid , (een kleine hoeveelheid) ietske
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ietsje , ietskes , 1. iets; 2. beetje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
ietsje , iets of wà , klein beetje
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
ietsje , ietsien , (zelfstandig naamwoord) , klein beetje, iets. Zie ook: ietsepietsien.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ietsje , ietskes , ietsjes, een beetje , Ietskes nor links. Ietsjes naar links.
Bron: Laat, G. de (2011), Zoo prôte wèij in Nuejne mi mekaâr, Nuenen
ietsje , ietskes , voornaamwoord , een beetje (Land van Cuijk)
Bron: Swanenberg, A.P.C. (2011), Brabants-Nederlands: Nederlands-Brabants: Handwoordenboek, Someren
ietsje , eetske , eetskes , voornaamwoord , beetje, ‘n
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
ietsje , ietje , bijwoord , ietsje; uitdrukking: ietje bij bietje; Cees Robben – Zô ietje bij bietje (19551126)
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal