elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: iezegrim

iezegrim , iezegrim , yzegrim , Altijd gemelijk norsch mensch. Ik hoorde deze uitdrukking zeldzaam en niet dan door oude lieden.
Bron: Panken, P.N. (1850) Kempensch taaleigen, Idioticon I, A-Z, Idioticon II, H-Z, red. Johan Biemans, 2010, Bergeijk.
iezegrim , iezegrim , voor: gierigaard. (v. Dale: ijzegrim = verdrietig, knorrig, korzelig mensch.)
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
iezegrim  , iesegrim , brombeer.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
iezegrim , iezegrim , mannelijk , iezegrimme , iezegrim, onvriendelijk knorrig mens.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
iezegrim , iezegrim , izegrim, izegriem , de , iezegrimmen, iezegrims , Ook izegrim, izegriem (Zuidoost-Drents veengebied) = 1. iezegrim, nors persoon Die kerel is ja zu’n iezegrim, hie bromt en döt en ’n fesoounlijk woord kriej niet (Eex), Die izegrim kun der niet um lachen (Bal) 2. scharminkel (Zuidwest-Drenthe, zuid) Kiend, kiend, wat bi’j toch een izegrim (Mep)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
iezegrim , îêzegrim , (Gunninks woordenlijst van 1908) iezegrim
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
iezegrim , iezegrim , zwartgallig persoon, brompot.
Bron: Dialectwârkgroep Heerde/Waopmvelde (2004), Nieje Heerder Woordnboek, Heerde.
iezegrim , iézegrim , zelfstandig naamwoord mannelijk , iézegrims , - , knorrepot , iézegrim; nurks iézegrim
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal