elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: ijver

ijver , ijver , (zelfstandig naamwoord mannelijk) , Daarnaast iever. Zie de wdbb. Evenzo ieverig, enz. || Hij is vol iever. Wat ben-je ieverig. – De vorm iever is ook elders gebruikelijk. – Vgl. ijverigheid.
Bron: Boekenoogen, G.J. (1897), De Zaanse Volkstaal. Deel II: Zaans Idioticon - Aanvullingen. Zaandijk (herdruk 1971)
ijver  , iever , ijver.
Bron: Daelen-Meuter, Jos. van (ca. 1937), Venloos waordebook, ongepubliceerd typoscript, Venlo.
ijver , iiver , ijver
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
ijver , iefer , mannelijk , ijver.
Bron: Schelberg, P.J.G. (1986), Woordenboek van het Sittards dialect, Amsterdam
ijver , iever , ijver , de , Ook ijver = ijver Hai is ain en aal iever (Eco), Hij zit vol iever (Dwi), Wat een iever um zo vro op te staon (Sle), Hij het aal zien iever der an daon hij heeft er ijverig en serieus aan gewerkt (Row), Aan ijver mankeerde het neit, toch kon e neit best metkommen op school (Erf)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
ijver , iever , ijver.
Bron: Zegers, A. (1999), Het dialect van het land van Ravenstein, in het bijzonder van Uden en Zeeland, Uden.
ijver , iever , zelfstandig naamwoord , de; 1. het met ijver, vlijt een taak, karwei uitvoeren 2. zie ieverig
Bron: Bloemhoff, H., J. Withaar, A. Bloemhoff en T. Bontekoe (2005), Stellingwarfs-Nederlands Verklarend Handwoordenboek (SNVH), Berkoop/Oldeberkoop: Stichting Stellingwarver Schrieversronte.
ijver , iéfer , zelfstandig naamwoord mannelijk , - , - , ijver , VB: Es te noé 'ns get mie iéfer hebs, krys te oüch bëter peunte.; vlijt ijver; iéfer
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
ijver , íéver , ijver
Bron: Bergh, N. van den, e.a. (2007), Um nie te vergeete. Schaijks dialectboekje, Schaijk.
ijver , iever , (zelfstandig naamwoord) , ijver. Zie ook: ieverigeid.
Bron: Kraijer, M., H. Mulder, D. Visscher en Ph. Bloemhoff (2009), Op zien Zwols: Woordenboek van de Zwolse Taal, Kampen: IJsselacademie
ijver , iefer , (mannelijk) , ijver , Waat einen iefer!
Bron: Tonnaer, M. en Har Sniekers (eindred.), (2012), Thoears Woeardebook, Thorn
ijver , iefer , ijver; dae verrèkdjese(n) iefer – die verdomde ijver, die persoon legt een bewonderenswaardige ijver aan de dag
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
ijver , iêver , zelfstandig naamwoord, mannelijk , ijver
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.
ijver , iever , uuver , zelfstandig naamwoord , B ijver; Cornelissen & Vervliet, Idioticon van het Antwerpsch 1899: IEVER zelfstandig naamwoord m. - ijver, Fr. zèle. veul iever hemmen.; uuver; Pierre van Beek - ijver; Pierre van Beek - den uuver is eraaf; WBD III.1.4:42 'ijver'= idem; – korte uu; – Door ronding ontstaan uit 'iever'. Zie Weijnen 'Vergelijkende klankleer v.d. Nederlandse dialecten', blz. 78. Jan Naaijkens - Dès Biks (1992) - uuvere - ijveren, aanmoedigen; C. Verhoeven - Herinneringen aan mijn moedertaal - 1978 - uver (of 'nuver') m. - geestdrift; vooral in de zegswijzen 'den (n)-uver is eraaf- het eerste enthousiasme is voorbij, en 'den uver is nie groo:t'. Misschien identiek met iever en ijver (nijver). A. Weijnen, Etymologisch dialectwoordenboek (1995) - uvere - aanmoedigen (Hilv.); WNT IJVER, iever - ijver, aandrift, aandrang
Bron: Sterenborg, W. en E. Schilders (2014), Woordenboek van de Tilburgse Taal (WTT), Tilburg: Stichting Cultureel Brabant
ijver , ie~fer , ijver
Bron: Arts, Jan (2015), Brónsgreun Bukske, Editie Veldes dialek, Velden.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal