elektronische Woordenbank van de Nederlandse dialecten (eWND)

Woord: in

in , in , tehuis, bijvoorbeeld ’t volk is waal in: de familie is wel tehuis.
Bron: Ballot, A. (1870), Eigenaardigheden van het Twentsche dialect, uitgegeven in 1968, Hengelo.
in , en , wordt in ’t Westerkwartier en Hunsegoo met in verwisseld, vooral in ’t schrijven. Zeeland, Zuid-Holland in = en. Zie: e 1.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
in , in , voor: bij, tusschen; hij zit overal mit de handen in = hij moet alles betasten en bevoelen, zijne handen kunnen geen voorwerp met rust laten; wordt alleen van kinderen gezegd. Ook bij zinnen als: hij zit ʼr an de hals tou in (of: ien) = hij zit diep in de schulden; hij zit ʼr over in = die zaak, of dat geval maakt hem angstig, verlegen, zooveel als: daarover zit hij in ʼt zweet. – Voor: van, in: dat heb ik in ʼt zulver = in plaats van van goud, enz. is de mijne van zilver, overigens zijn ze gelijk. – Voor: aan; in de proat hollen = aan de praat houden, ook fig.; in stōkken (of: stukken) breken (of: gooien of: scheuren); ʼn som in bankpampier bezitten; zōk zijk eten in spekpankouk, enz. West-Vlaamsch zich dronken drinken in jenever; zich in eene spijs ziek eten; vijf gulden in koperen munt; hij had eene groote som in bankpapier; iets in stukken breken; eenen appel in schijfjes snijden; in flinters scheuren. (De Bo).
ien, in, (zie: ie 6); ien ’t èn = eindelijk; zie: ende.
in, ien, in verkorte zinnen, voor: in den grond: zij hebben ʼt zoad tʼr ien (Hoogeland) = de boeren hebben het zaaien gedaan. Vgl. dʼeerappels dʼr oet hebben.
in - oet. Wanneer er reeds veel koffie is gedronken, zoodat de pot bijna leeg is, antwoordt de schenkster op de aanmerking: duur (voor: mag) ʼk nog weer opzetten?joawel, loptʼr nijt in, loptʼr ook nijt wat oet, zooveel als: gij kunt er niets bij verliezen. Zie: opzetten.
in - op = tegen, tegen in; wie goan in de wind op = wie hebben tʼr in op = ʼt gait ʼr in op = wij hebben den wind tegen; tegengestelde van: wij hebben het vóór den wind = ’t gait veur de wind an.
Bron: Molema, H. (1895), Woordenboek der Groningsche Volkstaal in de 19e eeuw (handschrift met aanvullingen op gedrukte editie uit 1887)
in , in* , zie ook te *, en vgl. inzitten *, (ook de aanteekening); zie voorts angoan * (ook de aanteekening.)
Bron: Ganderheyden, A.A. (1897), Groningana – Supplement op H. Molema’s Woordenboek der Groningsche Volkstaal, Groningen (reprint 1985)
in , in , voorzet , in. Wi hebt de ragge in: wij hebben de rogge binen. Wi hebt et verbau in: wij hebben de oogst binnen. Wi hebt de ragge der in: wij hebben de rogge gezaaid. Wi hebt de eerappel der üt: wij hebben de aardappeloogst binnen.
Bron: Jonker, L. & H.G. van Grol (z.j., ca 1940), Woordenboek dialect van Vriezenveen
in , in , voorzetsel , in; in wean, thuis zijn; dr in en d roet kùjrn, honderd uit praten; in t lange, overlangs
Bron: Schönfeld Wichers, K.D. (1959), Woordenboek van het Rijssens dialect, herdruk 1996, z.pl.
in , ien , in Ik woon in Kuuk en zéj ien Boxméêr. in Boxmeer wordt dit dus uitgesproken als ien.
Bron: Kerkhoff, Chris (1970 ev), Dialectwoordenlijst van het Land van Cuijk, Cuijk
in , in , ien , bijwoord , Ook ien (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = 1. binnen De rogge is in in de schuur (Dwi), Die hond is der al in (Sle), Wai hebben de rog der in gezaaid (Row), Het luip aalmor in en oet (Eel), Hij bleef boeten, hij kwam der neit in (Erf), Aj der eerst mor in binnen binnen bent (Zui), Kom der mar in (Pdh), Dag in dag oet hef e ’n börstrok an (Eex) 2. erg, zeer, als eerste deel van samenstellingen van het type ingemien (Klv), inkaold (Sle), iengoed zeer goed (Ruw), iendom (Ruw)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
in , in , ien , voorzetsel , Ook ien (Zuidoost-Drents veengebied, Zuidwest-Drenthe, zuid) = in, binnen Hij leup ien het bos (Bov), ’t Steet in het grote book (Die), Hij stun in de deur in de deuropening (Wes)
Bron: Kocks, G.H. (1996-1997), Woordenboek van de Drentse Dialecten (WDD), Assen: Van Gorcum
in , in , in
Bron: Fien, A., Ph.C.G.M. Bloemhoff-de Bruijn en J. Gunnink (2000), Woordenboek van de Kamper Taal, Kampen
in , ién , bijwoord , binnen , ién VB: Kom ién vuur dats te näot wörs.; in ién Zw: Kom ién: kom binnen.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
in , ién , bijwoord , moment , (op het moment dat); ién VB: ién dat ich iénkaom sjtoûng 'r op en goûng eweg.
Bron: Jaspars, G. en H. Fiévez (2006-2008), Woordenboek van het Gronsvelds, Gronsveld/Ryckholt
in , in , inne , 1. in; get in höbbe – iets vast van plan zijn; de vot in höbbe – a. de pest in hebben b. oververmoeid, afgepeigerd zijn; winjdj in – wind tegen; dao zitj neet väöl in(ne) – die persoon toont weinig initiatief 2. naar binnen: kóm mer in(ne) – kom maar binnen (vergelijk het Engelse come in); maak dich in(ne) – maak dat je binnen komt 3. eens: ze zeen dao neet mèt in – ze zijn het daar niet mee eens (meestal gezegd van ouders die het niet met de partnerkeuze van een van hun kinderen eens zijn)
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
in , inj , zelfstandig naamwoord , inje , intje , 1. eind; emes aan zien inj bringe – iemand tot aan het eind van zijn leven verzorgen zie ook oppasse; väördet het speel ein inj hiët is het tied jankes – dat spelletje draait nog uit op huilen 2. begin: ich kan het inj van die streen gare neet vinje – ik kan het begin van die streng wol niet vinden
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
in , inne , 1. in 2. (naar) binnen: kóm inne (Engels: come in) zie ook in 3. (samentrekking van) in de
Bron: Janssen, L. (2013), Limburgs Woordenboek Heels-Nederlands, Heel.
in , in , voorzetsel, bijwoord , bij, in
Bron: Feijen, Jan (2013), Zoeë Kalle Vae - Weertlands woordenboek, Weerd.


<< vorige pagina

Gelieve als bronverwijzing te gebruiken:
Sijs, Nicoline van der (samensteller) (2015-), eWND, op ewnd.ivdnt.org,
gehost door het Instituut voor de Nederlandse Taal